BodyBackground
Menu

Design Academy Eindhoven, Penitentiaire Inrichtingen Veenhuizen, provincie Drenthe en gemeente Noordenveld hebben op 15 mei 2013 de Design Deal Veenhuizen ondertekend. De partijen gaan de komende drie jaar in Veenhuizen intensief samenwerken. Design Academy Eindhoven wil hiermee het volgende bereiken: bijzondere omstandigheden die studenten uitdagen tot onderzoek en vertaling in producten, diensten en systemen.

Klik hier voor de Nieuwsbrief Veenhuizen 2013.

interview met irene fortuyn

In mei 2013 ondertekenden Veenhuizen en Design Academy Eindhoven (DAE, tot 1997: Academie voor Industriële Vormgeving) een overeenkomst waarmee Veenhuizen zich drie jaar lang ‘vriend van DAE’ mag noemen. In formele zin effent dit vriendschapsverdrag het pad voor gezamenlijke projecten. Maar wat doet Design Academy Eindhoven eigenlijk, en vooral: wat doet Design Academy Eindhoven in Veenhuizen? En wat verwachten beide partijen te winnen met een ‘Design Deal’?

Ik leg die vragen voor aan Irene Fortuyn van DAE, één van de drijvende krachten achter de overeenkomst. We hebben afgesproken in het hoofdstedelijke Restaurant Amsterdam, dat een buitengewoon passende omlijsting voor ons gesprek blijkt te zijn. Het restaurant is namelijk gevestigd in het uit 1900 daterende machinepompgebouw van het gemeentelijke waterleidingbedrijf en een prachtig voorbeeld van herbestemming van industrieel erfgoed.

Irene Fortuyn is sinds 2000 hoofd van de afdeling ‘Man and Leisure’ (mens en vrije tijd) van DAE, een functie die ze destijds overnam van trendwatcher Lidewij Edelkoort. Daarnaast is ze beeldend kunstenaar in Amsterdam, oprichter van LABminds (een organisatie die jonge ontwerpers en academici de mogelijkheid biedt om zich in ‘pop-up ondernemingen’ gedurende 4 tot 6 weken bezig te houden met ontwerpvraagstukken van bedrijven, instellingen of overheden), creatief directeur van Ketter & Co (een platform dat zich richt op projecten voor de stedelijke en landschappelijke ruimte), onderzoeker (met een bijzondere interesse voor het gebruik van het landschap), én docent aan de Koninklijke Academie voor de Beeldende Kunsten in Den Haag.

Ze maakte pas vorig jaar kennis met Veenhuizen. En, zoals zo vaak: eigenlijk puur toevallig. ‘In mei 2012 kreeg een goede vriend van mij, de Franse glasontwerper Emmanuel Babled, een uitnodiging voor het weekend proefondernemen in Veenhuizen. Hij was wel benieuwd en vroeg of ik zin had om mee te gaan, als tolk, en voor de gezelligheid. We gingen er op vrijdag heen en werden ontvangen in inloopatelier Coco Maria. Toen waren we eigenlijk meteen al verkocht. Hartelijke mensen, prachtige setting, heerlijk eten bij Bitter en Zoet – zo’n rijke omgeving hadden we nooit verwacht’. Maar in de loop van het weekend maakten gesprekken met bewoners en een uitgebreide rondleiding ook de kwetsbaarheden van Veenhuizen duidelijk. ‘We zagen hoe belangrijk het is om nieuwe bedrijvigheid aan te trekken. Maar dan wel op een manier die het dorp met zijn omgeving verbindt en die recht doet aan de mensen van Veenhuizen’. En allebei zagen ze daarin op dat ogenblik eerder een uitdaging voor Irene en DAE, dan voor Emmanuel met een atelier.

Dat de mens in de opleidingen van DAE centraal staat, blijkt al uit de naamgeving van de verschillende studierichtingen. ‘Bij ons kiezen studenten niet uit disciplines, zoals ‘grafisch ontwerpen’ of ‘metaal’, maar uit richtingen als ‘mens en identiteit’, ‘mens en publieke ruimte’ en ‘mens en communicatie’, vertelt Irene.

DAE vindt het echter nog belangrijker dat studenten de ‘menselijke factor’ kunnen erváren. Onlangs bracht een groep studenten dan ook een eerste bezoek aan Veenhuizen om met het dorp en zijn bewoners kennis te maken. Studenten kookten aan het eind van de middag grote ketels soep en nodigden de hele buurt uit om mee te eten, en bleven daarna overnachten in de kantine van de VV Veenhuizen. Behalve een feestelijk uitje, was dit bezoek meteen de aftrap voor de uitvoering van de eerste groepsopdrachten. Docenten hebben er daarvan inmiddels zeven bedacht, waarbij studenten zich moeten verdiepen in kwesties als ‘welke producten of diensten zou een moderne Maatschappij van Weldadigheid op dit moment in de markt kunnen zetten’, ‘verwerk het thema gevangenschap en/of verbanning in een ontwerp voor tafellinnen’ en ‘bedenk een product waarmee je een vooroordeel kunt omzetten in een aanbeveling’. Elke student moet twee van deze zeven opdrachten uitvoeren en levert zijn inbreng dus in twee verschillende teams. Daardoor komen studenten elkaar tegen in groepen met een andere samenstelling, maar ook in een andere context. Zo kunnen ze bijvoorbeeld ervaren dat ze in het ene team op een andere manier moeten samenwerken en andere vaardigheden moeten inzetten dan in het andere. ‘Een goede opleiding moet je het gevoel geven dat je een sleutel in handen hebt. Doordat we onze studenten niet alleen theorie, maar ook ervaringen meegeven, hebben ze straks naast hun diploma ook de beschikking over een mentale gereedschapskist’, legt Irene uit.

De opdrachten over Veenhuizen zijn niet alleen als lesstof bedoeld, maar ook als marktverkenning. ‘We onderzoeken de mogelijkheden voor een ‘Collectie Veenhuizen’: een serie ontwerpen – van bijvoorbeeld meubels of huishoudtextiel – die niet alleen een inhoudelijke relatie hebben met Veenhuizen, maar die ook in en door mensen uit Veenhuizen worden gemaakt. Daarbij zien we een rol voor lokale ambachtsmensen, maar zeker ook voor de gevangenen. In de werkplaatsen van Justitie zouden de ontwerpen geheel of gedeeltelijk kunnen worden uitgevoerd. Maar we denken ook dat gevangenen, vanuit hun persoonlijke achtergrond, betrokken zouden kunnen worden bij het ontwerpen zelf.’ Feitelijk volgt Collectie Veenhuizen dezelfde denklijn als de groepsopdrachten voor de studenten: ‘Door bedrijven in en om Veenhuizen, gevangenen en designers samen te laten werken, maken we nieuwe combinaties. Daarmee kunnen we clichés als ‘goed of fout’ doorbreken en mensen nieuwe mogelijkheden in zichzelf laten ontdekken. De uitgevoerde ontwerpen worden het tastbare resultaat van de gezamenlijke inzet, waar men dan ook sámen trots op kan zijn. Dit soort ervaringen kan, in combinatie met de aangeleerde praktische vaardigheden, ex-gedetineerden helpen om een nieuw leven op te bouwen ná Veenhuizen’.

Om dit te kunnen realiseren is het natuurlijk erg belangrijk dat de werkplaatsen in Veenhuizen (voor metaal- en houtbewerking, betonconstructies en coatings) in de toekomst blijven bestaan. Irene is bovendien een warm voorstander van vernieuwbouw op de locaties die straks leegkomen. ‘Zeker een complex als Esserheem is bepalend voor de ziel van het dorp. Als je dat weghaalt, blijft er een krater achter. Ook vanwege de beoogde Werelderfgoedstatus lijkt het me een belangrijke pré als daar op zijn minst een deel van de oorspronkelijke bestemming gehandhaafd kan blijven.’

Collectie Veenhuizen is een ambitieus plan, dat eigenlijk een paar maten te groot is voor Veenhuizen en DAE alleen. Daarom wordt er op dit moment contact gezocht met derden, zoals Stichting DOEN, die zouden kunnen helpen om één en ander te realiseren. Het zou Generaal van den Bosch ongetwijfeld deugd doen. Met Collectie Veenhuizen zou een nieuwe invulling kunnen worden gegeven aan zijn oorspronkelijke ideaal: de verheffing van de mens door opleiding en het verrichten van zinvol werk.